4 oktober 2020

Advocaat Liesbeth Zegveld over onderzoek gemeenten naar Joods vastgoed WOII: “Je kan het nooit meer herstellen, maar wel verantwoordelijkheid nemen.”

Bekijk meer artikelen over: Recht en onrecht

Samen met Salo Muller zorgde ze ervoor dat de NS duizenden euro’s moet betalen aan ruim 5000 slachtoffers en nabestaanden van de Holocaust. Advocaat Liesbeth Zegveld is gespecialiseerd in aansprakelijkheid bij mensenrechtenschendingen en vindt dat ook gemeenten onderzoek moeten doen naar hun houding tegenover Joodse vastgoedeigenaren nadat die terugkwamen uit de concentratiekampen en onderduikadressen. We spreken haar voor ons onderzoek Rechtsherstel Tweede Wereldoorlog

“De Nederlandse Spoorwegen waren er op een gegeven moment van overtuigd dat er iets moest gebeuren. Ze wilden niet tegenover Salo Muller in de rechtszaal gaan staan en zeggen: ‘Dit is verjaard’. Daar vonden ze de feiten te erg voor.” Muller zat als kind ondergedoken, zijn ouders werden vermoord in Auschwitz.

Volgens advocaat Liesbeth Zegveld is de welwillendheid van de NS om het eigen oorlogsverleden te onderzoeken erg belangrijk geweest: “Zaken uit de Tweede Wereldoorlog zijn in principe ingewikkeld. Je loopt tegen verjaring aan en feiten uit die periode zijn vaak niet makkelijk op tafel te krijgen.” Als organisaties zelf niet willen weten wat er in de oorlog is gebeurd, dan is rechtsherstel een stuk lastiger. Daarom is het volgens Zegveld belangrijk dat óók gemeenten hun eigen oorlogsverleden onderzoeken.

Immorele heffingen

Alle woningen van Joden werden onteigend tijdens de Tweede Wereldoorlog, en ongeveer de helft daarvan werd doorverkocht. Van de opbrengsten werden onder andere Kamp Vught en Westerbork betaald. Na de oorlog besloot de Nederlandse overheid dat alle onteigende woningen terug moesten naar de oorspronkelijke eigenaren of nabestaanden. Maar toch bleek er niet altijd op een eerlijke manier te zijn omgegaan met terugkerende Joden.

Dat kwam aan het licht door onderzoek van de gemeenten Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Hieruit kwam een kille houding naar voren van gemeenten tegenover Joodse huiseigenaren na de oorlog. Zo werd in Amsterdam en Den Haag aan terugkerende Joden gevraagd om hun erfpacht en straatbelastingen met terugwerkende kracht te betalen over de periode dat hun huizen niet in hun bezit waren.  

“Hand in eigen boezem”

Maar over hoe hier in andere gemeenten mee is omgegaan, is weinig bekend. Volgens Zegveld moet daarom elke gemeente in Nederland beslissen om zo’n onderzoek te doen, en niet pas als nabestaanden ernaar vragen: “Gemeenten moeten hand in eigen boezem steken en een onderzoek starten om duidelijk te krijgen wat hier is gebeurd. Ik vind dat als je leed en schade veroorzaakt, je gehouden bent om dat te herstellen. Het is wat zuur om dat pas te doen als een ander zich meldt.”

Financiële compensatie

De gemeenten Amsterdam, Rotterdam en Den Haag besloten na de onderzoeken een financiële compensatie uit te keren aan de Joodse gemeenschap. Zegveld denkt dat dit een reden kan zijn dat andere gemeenten terughoudend zijn met het doen van onderzoek. Maar ze benadrukt ook dat een schadevergoeding wel belangrijk is.

“Er wordt altijd gepraat over miljoenenclaims. Maar uiteindelijk zitten nabestaanden nooit te wachten op miljoenen. Daar gaat het vaak helemaal niet om. Waar het om gaat is dat je in kaart brengt dat je verantwoordelijkheid neemt en je doet wat je kan doen. Echt herstellen kan je het nooit meer, maar je kan wel je verantwoordelijkheid nemen.”

75 jaar later

Er is nog te veel onbekend over wat er in de oorlog gebeurd is, vindt Zegveld. Maar ze ziet vaker dat er zaken blijven liggen na een oorlog: “Na een periode van tragedie probeert men het leven weer op te pakken. Dat geldt zowel voor de slachtoffers als voor de omstanders. Het is vaak heel lang onbespreekbaar totdat mensen in een bepaalde fase van hun leven komen. En als de samenleving dan ook verder is, dan is er opeens wel ruimte voor.”

Het is volgens haar dan ook belangrijk dat het onderwerp nu aandacht krijgt: “Er moeten mensen bij die gemeenten zijn die daar het belang van inzien. Ik kan me vanuit gemeenten voorstellen dat ze niet zoveel kunnen met individuele dossiers. Maar ze missen het totaalplaatje dus dat moet ze gepresenteerd worden. In de samenleving moet duidelijk worden dat dit een belangrijk dossier is.”