25 maart 2020

“Ik sla normaal een arm om mensen heen die het moeilijk hebben, maar dat kan nu niet”

Bekijk meer artikelen over: Gezondheid en zorg Bekijk meer artikelen over: Spoedzorg

“Ha, ben je er weer?” We bellen ambulancebroeder Max, over wie we eerder ook schreven, om te horen hoe het na drie nachtdiensten op rij met hem gaat. Hij vond het moeilijk dat hij er niet kon zijn voor zijn patiënt vannacht. “Dat mensen alleen moeten sterven, daar heb ik moeite mee.”

Vannacht heeft Max zijn eerste coronapatiënt verplaatst. Het kostte hem zeker tweeënhalf uur: patiënt in de ambulance laden, rijden van het ene ziekenhuis naar het andere, spullen uit de ambulance en die vervolgens ontsmetten. Dan beschermkleding uit, schone spullen er weer in. Onder de douche en, hup: in een schoon uniform door naar de volgende rit.

“Ben jij het, Pieter?”
De patiënt was een oude man die vroeg of Max zijn zoon was. In zijn beschermende kleding was hij immers niet te herkennen.
“Ben jij het, Pieter?” vroeg de patiënt.
“Nee, ik ben de verpleger.”
“Waar is Pieter dan?”
De patiënt begreep niet waarom zijn zoon niet mee was. Max: “Maar familie mag niet mee natuurlijk. Er zijn allemaal beperkingen. Ook in het ziekenhuis mag hij niet komen.” Bezoek is niet welkom, zag Max op de deur staan. 

Prostituee
Het is logisch, gezien de situatie. Maar ook heel vreselijk. “Zeker als je weet dat mensen gaan overlijden. Daar heb ik veel moeite mee.” Hij pakt als hulpverlener snel iemand even beet, legt hij uit. “Ik voel me een beetje een prostituee nu ik dit zo zeg, maar zo bedoel ik het niet. Ik denk gewoon dat hulpverleners er ook zijn om een arm om je heen te leggen als je het moeilijk hebt.”

Kleine kinderen die ziek zijn? Daar haalt Max grappen mee uit. En om iemand die net zijn partner heeft zien sterven, legt hij normaal een troostende arm. “Als je verdrietig bent, is het gewoon heel prettig als iemand je even beetpakt en zegt: ik ben bij je.” 

“Ze sloeg een arm om me heen: 'Kom maar, ik help je'”
Max’ eigen moeder overleed niet zo lang geleden. De zuster die erbij was, vergeet hij nooit meer: “Ze pakte me beet, sloeg een arm om me heen en zei: ‘Kom maar mee, ik help je.’ Daar ben ik haar nu nog dankbaar voor.” Dat hij en zijn collega’s dat nu niet kunnen, vindt Max daarom des te vreselijker. “En dan zie ik die mensen eigenlijk maar kort. Hooguit een halfuurtje. Moet je je voorstellen hoe het voor de verpleegkundigen op de Intensive Care is nu; die hebben het pas zwaar.”

Wil je meer lezen over wat ambulanceverpleegkundige Max deze dagen meemaakt? Kijk hier voor het vorige verslag.

Auteurs

K.G.

Karen Geurtsen

Redacteur