Bij binnenkomst in de gevangenis wordt de reguliere zorgverzekering van een gedetineerde stopgezet. Vanaf dan is de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) verantwoordelijk voor de medische zorg. Volgens de wet moet deze gelijkwaardig zijn aan de zorg in de rest van de samenleving. Maar uit gesprekken die Pointer (KRO-NCRV) voerde met vijftien mensen rondom het gevangeniswezen, blijkt dat de zorg regelmatig tekortschiet. “Een doorverwijzing naar het ziekenhuis is iets wat men liever niet wil.”
“Tegen de meeste mensen die binnenkomen en al medische afspraken buiten het ziekenhuis hebben staan, wordt gezegd: ‘Wacht maar even met je behandelingen, we weten nog niet of jij straks weer buiten staat’”, vertelt Johan Oosterhagen. Hij staat al jaren ex-gedetineerden bij die ontevreden zijn over de zorg binnen gevangenismuren. “En als er uiteindelijk zorg wordt verleend, komt deze vaak veel te traag op gang.”
Het beeld dat Oosterhagen schetst, wordt bevestigd door onderzoek van Pointer. Het onderzoeksjournalistieke platform van KRO-NCRV sprak met 7 oud-gedetineerden, 3 (oud-)gevangenisdirecteuren, 2 oud-DJI-huisartsen, 3 oud-gevangenisbewaarders en meerdere experts die de zorg in het gevangeniswezen hebben onderzocht. Uit deze gesprekken blijkt dat het voor gedetineerden regelmatig lastig is om toegang te krijgen tot specialistische zorg buiten de gevangenismuren.
Een doorverwijzing naar het ziekenhuis is iets wat men eigenlijk liever niet wil.
Gevangenissen zouden daarbij onterecht logistieke en financiële overwegingen laten meewegen en zo hun wettelijke plicht, om in detentie zorg te bieden die gelijkwaardig is aan die in de rest van de samenleving, niet nakomen.
In een rolstoel de gevangenis uit
Anna (echte naam bekend bij de redactie) is een van de oud-gevangenen die haar verhaal deelt met Pointer. Zij moest wekenlang wachten tot er een geschikte fysiotherapeut voor haar bekkenbodemklachten was gevonden. Nu is zij afhankelijk van een rolstoel. “Voor deze klachten had ik al meerdere afspraken in het ziekenhuis staan toen ik in detentie ging. Maar ik ben naar geen van al die afspraken geweest, omdat de gevangenis eerst wilde controleren of dat echt zo was. Tegen die tijd was het al te laat.”
Gevangenissen mogen niet-noodzakelijke zorg uitstellen, legt oud-gevangenisdirecteur Frans Douw uit. “Maar of zorg noodzakelijk is, is natuurlijk een grijs gebied.” Douw wijst op een perverse prikkel in het systeem: “Als iemand al afspraken heeft staan voordat diegene de gevangenis ingaat, moeten er telkens meerdere personeelsleden beschikbaar worden gesteld om mee te gaan naar een ziekenhuis. En er is al een ongelooflijk personeelstekort. Een doorverwijzing naar het ziekenhuis is daarom iets wat men eigenlijk liever niet wil.”
Dat ondervond ook Charlotte (echte naam bekend bij de redactie) tijdens haar 8 weken gevangenschap. Zij was zwanger tijdens haar detentie en leed aan zwangerschapsziekte HG, waardoor zij nauwelijks eten kon binnenhouden en in korte tijd meer dan 20 kilo afviel. “Het ziekenhuis zei dat ik beter opgenomen kon worden zodat ik sondevoeding kon krijgen, maar de gevangenis zei: ‘Lap haar maar op, anders moeten we hier de hele dag iemand voor de deur laten staan’.”
Gevangenisbewaarders delen medicatie uit
Uit de gesprekken die Pointer voerde klinkt ook regelmatig kritiek op de rol van gevangenisbewaarders, ook wel PIW’ers genoemd. Zo moeten PIW’ers medicatie uitdelen aan gedetineerden, maar dat gaat regelmatig mis, bevestigen meerdere ex-gedetineerden en drie bewaarders.
“Ik heb zelf zo’n fout gemaakt”, vertelt Frank (echte naam bekend bij de redactie), die jarenlang werkzaam was als PIW’er in verschillende gevangenissen. “Het ging om een duo-cel met twee gedetineerden. Er kwam iemand bij het luikje staan die zijn hand uitstak en ik gaf de medicatie. De medicatie werd meteen ingenomen, en op dat moment wordt de andere gedetineerde wakker en zegt dat die medicatie voor hem bestemd was.”
Ellen, een andere oud-PIW’er, herkent dat beeld: “Ja, dat ging regelmatig mis, dat je medicatie aan de verkeerde gedetineerde gaf. En ze namen het altijd gewoon aan. Later dacht ik: ik heb helemaal geen verstand van medicatie, en toch wordt van mij verwacht dat ik medicijnen verstrek. Op zo’n zakje staat wel wat erin zit, maar die namen zijn voor ons abracadabra.”
Avonden en weekenden
Ook vertellen meerdere bronnen uit het gevangeniswezen dat PIW'ers regelmatig vragen krijgen over medicatie of een medische inschatting moeten maken, terwijl ze niet medisch zijn opgeleid. Volgens Frank leverde dat soms lastige situaties op: “Mensen vroegen: ‘Waarom heb ik nu een andere kleur pil?’, ‘Waarom is mijn medicatie opgehoogd’, ‘Mag ik dit wel slikken?’ Dan kon je daar niks mee, dan konden we alleen maar zeggen: ‘Je moet maar tot morgen wachten’. Eigenlijk zou er gekwalificeerd personeel moeten rondlopen dat meeluistert en medische signalen kan herkennen. ”
Deze mensen verdienen het om goede zorg te krijgen, in mijn ervaring is dat niet altijd het geval geweest.
Door afwezigheid van een arts in de avonden of weekenden komen PIW’ers regelmatig voor medische dillema’s te staan, blikt Ellen terug: “Als het levensbedreigend is, kunnen we natuurlijk altijd 112 bellen. Maar wanneer is iets levensbedreigend? Dat is moeilijk te beoordelen. Ik heb op den duur gedacht: beter een keer te vaak 112 bellen, dan te weinig. Je wilt niet dat er iemand overlijdt.”
Gelijkwaardige zorg
Bijna unaniem stellen de mensen die Pointer spreekt dat de zorg binnen de gevangenismuren niet gelijkwaardig is aan de zorg in de rest van de samenleving. Ook Frans Douw is duidelijk: “Volgens mij is dat niet zo, en dat komt omdat de gevangenis de zorgkosten zelf moeten betalen. Buiten ga je zelf op de fiets naar de huisarts. Maar voor de gevangenis is het makkelijker om dit soort handelingen niet te verrichten vanwege de kosten en organisatorische problemen die het oplevert. Je zou het zelfs verwaarlozing van gevangenen kunnen noemen.”
Ook PIW’er Frank heeft daar zijn twijfels over: “Deze mensen verdienen het om goede zorg te krijgen, in mijn ervaring is dat niet altijd het geval geweest.”
Voor Charlotte is het antwoord simpel: “Nee, de zorg is echt veel slechter in de gevangenis. Bij mijn eerdere zwangerschap had ik hetzelfde ziektebeeld, maar toen kon ik gewoon naar het ziekenhuis wanneer dat nodig was. Bij mijn zwangerschap in detentie was ik op een gegeven moment zo verzwakt dat ik dacht: als die kleine niet in mijn buik had gezeten, dan had het voor mij niet meer gehoeven.”
Reactie DJI
In reactie op de verhalen over de soms gebrekkige zorg reageert Nathalie Tonnon, vestigingsdirecteur Detentiecentrum Rotterdam, namens DJI als volgt: “Dit soort verhalen zijn natuurlijk naar om te horen, want zo hebben we de zorg niet georganiseerd. Wij zijn niet feilloos, maar wij voeren de zorg uit hoe wij denken dat dat het beste is. Als er op persoonlijke titel iets niet goed gaat door een menselijke fout, dan betreuren wij dat zeer.”
In reactie op de klachten dat zorg regelmatig wordt uitgesteld of te traag op gang komt, zegt Tonnon: “In het algemeen kan ik daarover zeggen dat mensen altijd worden gezien door een zorgprofessional die beoordeelt welke zorg wel of niet direct nodig is. Het kan zijn dat er vanuit veiligheidsoverwegingen wordt besloten om een afspraak in het ziekenhuis uit te stellen of af te zeggen. Bijvoorbeeld wanneer mensen buiten weten wanneer een gedetineerde een afspraak in het ziekenhuis heeft, dan is dat een veiligheidsrisico.”
Volgens Tonnon spelen kostenoverwegingen nooit een rol bij het bepalen of er wel of geen zorg verleend gaat worden: “We beoordelen alleen of het uitstelbaar is of niet. Dat is puur een medisch oordeel.” Ook de kritiek op de medische taken van PIW’ers herkent zij niet: “De PIW’er heeft de opdracht om bij medische klachten altijd de huisarts te bellen, en bij twijfel direct 112. Dat zijn strikte protocollen en heeft niks te maken met een inzicht van de PIW’er.”
Tonnon ziet het uitdelen van medicatie dan ook niet als problematisch: “Dat is puur een logistieke taak. De apotheek vult zakje X, dat wordt gecontroleerd door een verpleegkundige, daarna is de PIW’er puur verantwoordelijk om zakje X naar meneer X te brengen. Bij vragen over de medicatie moeten ze altijd een arts bellen of de vraag doorgeven aan de medische dienst voor de dag erna.”
Tot slot denkt Tonnon dat de zorg binnen detentie op zijn minst gelijkwaardig is aan de zorg buiten: “Zeker vergelijkbaar aan de zorg in de maatschappij, en ik durf zelfs te stellen dat de zorg soms nog beter georganiseerd is. Bijvoorbeeld: als je kijkt naar de wachtlijsten in bijvoorbeeld de psychiatrische zorg: een gedetineerde die bij ons binnenkomt krijgt binnen 24 uur een medische check, en als daaruit blijkt dat psychische zorg nodig is, dan is dat de volgende dag beschikbaar.”
Kijk hieronder de uitzending van Pointer 'Cel uit, rolstoel in', of via NPO Start: