Sinds de verdwijning van hun broer, zetten Jan en Cees Ploegstra alles op alles om erachter te komen wat er met hem is gebeurd. Wanneer een anonieme tipgever zegt te weten waar Herman ligt, zijn ze een paar maanden later zelf naar hem aan het graven. “Je kan niet zomaar weg zijn, daar geloof ik niks van”, zegt Jan.
Dinsdag 26 oktober 2010. Herman Ploegstra (35) volgt zijn vaste routine. Na een langewerkdag als kraanmachinist ploft hij neer op de bank voor een kort dutje. Hij zorgt ervoor dat er om 18:00 uur eten op tafel staat. Daarna zet hij zijn koelbox klaar voor de volgende werkdag en vertrekt hij om 19.15 uur vanuit IJzendijke richting Breskens voor een kickboksles.
Na het sporten staat hem nog één klusje te wachten: als vrijwillig brandweerman moet hij nog even een vuilcontainer buiten zetten bij de brandweerpost. Goedgemutst verlaat hij de sportschool. Op de parkeerplaats maakt hij nog even een grapje met een sparringpartner. Om 21.45 uur stapt hij in zijn BMW X5 en rijdt hij in de richting van buurtschap Nummer Één.
Na zijn vertrek bij de sportschool is Herman nooit meer gezien.
‘Vanaf daar ontbreekt elk spoor’
“Naast zijn verjaardag of de feestdagen, is de dag van zijn vermissing een van de dagen in het jaar dat het verlies van je broertje keihard binnenkomt.” Jan, de oudste van de drie broers Ploegstra, is normaal gesproken niet iemand die snel stilvalt. Toch duurt het even voordat hij verdergaat over die dinsdagavond in oktober 2010.
“Die nacht is Herman niet thuisgekomen,” vertelt hij na een tijdje. Sandra, de vrouw van Herman, had bezorgd twee van zijn vrienden bij de vrijwillige brandweer gebeld toen hij om 23.15 uur nog niet thuis was. “Zij zijn gelijk gaan zoeken en hebben de route gereden naar de sportschool waar hij die avond was geweest. Zij hebben zijn auto midden in de nacht teruggevonden en vanaf daar ontbreekt elk spoor.”
Een verlaten plek langs de dijk
Hermans BMW X5 wordt aangetroffen bij een terrein van Rijkswaterstaat langs de Duivelshoekseweg, tussen Breskens en buurtschap Nummer Één. Wat opvalt is dat de auto slordig is geparkeerd. De wagen staat half in het gras en er zijn twee omklapbare paaltjes geraakt. De autosleutel zit nog in het contact en de versnelling staat in de D-stand van 'drive' in plaats van de P-stand van 'parkeren'.
Naast de auto liggen Hermans portemonnee en zijn brandweerpieper. Op de grond, aan de bestuurderskant, ligt een busje pepperspray. Het heeft er alle schijn van dat iemand haastig het dashboardkastje heeft doorzocht.
De politie en de brandweer zijn snel ter plaatse en zoeken die nacht nog met een warmtebeeldcamera, in de hoop Hermans lichaam te kunnen lokaliseren. Zonder resultaat. Aan de andere kant van de weg, achter de dijk, ligt de Westerschelde. Aangezien het laag water is, wordt hier nog gezocht naar mogelijke sporen, maar in het zachte slib is niets opmerkelijks te zien.
Ook in de dagen daarna, wanneer er wordt gezocht met helikopters en een duikteam, wordt hij niet gevonden. Later vindt de politie tijdens het onderzoek naar de auto van Herman nog wel bloedspatjes op vijf verschillende plekken rondom de bestuurdersstoel. Het bloed blijkt alleen van Herman zelf te zijn en brengt de politie daarmee geen stap dichter bij een mogelijke dader. Een maand na Hermans vermissing wordt het rechercheteam ontbonden en het onderzoek afgeschaald.
‘Hij hield simpelweg van het leven’
Voor broer Jan is Hermans verdwijning tot op de dag van vandaag maar moeilijk om te bevatten. “Soms word je gevraagd naar je dierbaarste herinneringen aan Herman, maar je bent nog niet eens bezig met dierbare herinneringen maken op die leeftijd. Voor mij kwam dit alles veel te vroeg.”
Jan beschrijft Herman als “een hele spontane jongen, iemand die klaarstond voor iedereen en een echte harde werker.” Dit harde werken deed hij vooral om op mooie duikvakanties te gaan met zijn gezin. “Samen naar de Antillen, diverse eilanden, lekker duiken daar,” zegt Jan met een glimlach. Herman was een levensgenieter, maar één persoon stond voor hem echt bovenaan: zijn dochter Anouk. “Altijd, ze was echt alles voor hem.”
Anouk was destijds 8 jaar en is ondertussen een volwassen vrouw. Jan vertelt hoe hij vorig jaar met zijn moeder, Sandra en Anouk naar Aruba is geweest, omdat die plek zoveel voor Herman betekende. Zijn hart brak toen Anouk op het eiland over haar vader begon. “Je beseft hoe triest het is voor zo'n meisje om je vader in zo'n belangrijke periode van je leven te moeten missen. Dan krijg je een tik hoor.”
Het noodzakelijk kwaad
Maar het verdriet heeft de familie Ploegstra niet lamgeslagen. Samen met Cees, de middelste van de drie broers, doet Jan er alles aan om de onderste steen boven te krijgen. Ze staan de politie bij in hun onderzoek en gaan, ook nadat de zaak wordt gesloten, zelf door met de zoektocht naar Herman.
“Je gaat dingen regelen om te kunnen zoeken met andere instanties, legt Cees uit. Hij is meer een doener dan een prater, hij laat het woord dan ook het liefst over aan zijn broer Jan. Een van de dingen die de broers regelen is dat er door speciale duikteams gezocht wordt op de Westerschelde.
“Uiteindelijk zijn duikers nog een keer met een bot met een pees naar boven gekomen,” vertelt Jan. “Dan weet je niet wat je overkomt.” Helaas blijkt het vals alarm. “Binnen een uur was ontkracht dat het van Herman was, want het bleek niet van een mens te zijn. Als je dan naar huis rijdt, is die twee en een half uur heel lang.”
De duikacties leveren uiteindelijk niets op. Dus zoeken de broers ook hun heil in wat Cees “het noodzakelijk kwaad” noemt: de media. Zo schuiven ze aan bij het Tros-programma Vermist en besteden Opsporing Verzocht en Peter R. de Vries aandacht aan Hermans zaak. Jan: “Zodra er in de media niks verschijnt, ebt het allemaal weg. Dat willen we absoluut niet.”
Coldcaseteam heropent de zaak
Acht jaar na de verdwijning van Herman besluit de politie in 2018 de zaak te heropenen. Alle scenario's komen opnieuw op tafel: suïcide, vrijwillige verdwijning, een misdrijf in het criminele circuit en een misdrijf in de relationele sfeer.
Suïcide en een vrijwillige verdwijning worden al snel uitgesloten. De toestand van de auto, het ontbreken van een afscheidsbrief en het feit dat zoekacties in het buitenland niets opleveren spreken die scenario's tegen. Ook vindt de politie geen aanleiding voor een link met het criminele circuit.
Wat overblijft is het scenario dat de politie het meest waarschijnlijk acht: een misdrijf in de relationele sfeer. Herman stond bekend als een man met een zwak voor vrouwen en hield er buitenechtelijke relaties op na. Dit alles leverde hem, zoals Peter R. de Vries het in 2011 omschreef, "veel vriendinnen op, maar niet zoveel vrienden.” Ondanks deze vermoedens levert ook dit tweede onderzoek van de politie geen doorbraak op. De zaak komt weer stil te liggen.
Een getypte brief
Maar in 2025 komt er onverwacht weer beweging in de zaak. Jan kan zich het telefoontje van het coldcaseteam nog goed herinneren. “Ze lieten mij weten dat er een tip was binnengekomen waar ze iets in zagen en mee aan de gang wilden gaan. Dat was heel hoopgevend.”
Deze tip was binnengekomen bij de Peter R. de Vries Foundation, die de zaak van Herman niet meer heeft losgelaten sinds de Vries er in 2011 aandacht aan besteedde in zijn programma. In een getypte brief deelde een anonieme tipgever informatie over waar het lichaam van Herman zou liggen. De gedetailleerde informatie en de zorgvuldige manier van opsturen zorgen ervoor dat de politie en het OM de brief serieus nemen.
Op klapstoeltjes wachten
Op 18 september 2025 is het zover. Op basis van de informatie van de anonieme tipgever voert de politie met specialisten van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) een grootschalige zoekactie uit in het terrein Braakman-Noord, op 15 kilometer van de vindplek van Hermans auto.
“We waren de hele dag in de buurt,” vertelt Jan. Aangezien de familie de politie niet voor de voeten mocht lopen, wachtten ze de hele dag op klapstoeltjes bij de ingang van de landtong waar de politie onderzoek deed. Maar Jan en Cees herinneren zich vooral dat het in de loop van de dag steeds duidelijker werd dat ze Herman niet gingen vinden. “Aan de gezichten van de mensen van het NFI was te zien dat de hoop steeds kleiner werd.” Aan het einde van de dag komt de leider van het coldcaseteam aan hen persoonlijk vertellen dat Herman niet is gevonden.
‘Eigenlijk zouden we moeten graven’
Toch knaagt er iets bij de broers. De mannen werken zelf in het grondverzet en beschikken daardoor over kennis met betrekking tot bodemonderzoeken. Het NFI heeft met behulp van prikstokken de bodem onderzocht, op zoek naar zachte delen in de aarde. Jan: “Wat ze onderzocht hebben zal ongetwijfeld grondig zijn geweest. Maar kunnen we nu echt uitsluiten dat hij daar ligt met de methode die ze hebben toegepast? Eigenlijk zouden we daarvoor moeten graven.”
Deze gedachtegang wordt versterkt wanneer er bij de Foundation een tweede brief binnenkomt van de anonieme tipgever. Cees: “Nadat er in de media verscheen dat er niks gevonden was, heeft de anonieme tipgever een keurige foto gemaakt van de locatie waar Herman zou liggen.” Het gaat om een preciezere locatie binnen het Braakmangebied. Hoewel de politie deze plek al heeft onderzocht, is de boodschap van de tipgever duidelijk: “Er is door het NFI wel in de grond geroerd, maar niet diep genoeg.”
Voor de politie is een tweede grote zoekactie niet haalbaar. Capaciteitsproblemen maken het nagenoeg onmogelijk om nogmaals alle experts op hetzelfde moment op dezelfde plek te krijgen. De broers hebben daar alle begrip voor. Maar stilzitten is geen optie.
Samen met de Peter R. de Vries Foundation zetten ze een eigen graafactie op. De politie laat weten dit met interesse te volgen. Met toestemming van de gemeente en Staatsbosbeheer worden de voorbereidingen getroffen.
Zelf graven
Op 18 januari 2026 graven Jan en Cees met hun eigen graafmachine op de aangewezen locatie naar hun broer Herman. Jan: “Dat is best een rare en misschien wel nare gedachte dat je zelf zoekt naar je eigen broer. Dat gevoel is niet te omschrijven.” Cees vult aan: “Op dat moment wil je niet te veel nadenken. Dat zet je dan toch een beetje uit en je gaat alles als werk benaderen.”
Met name in de beginfase hebben de broers volop hoop dat ze eindelijk antwoord zullen krijgen op de vraag die hen al ruim zestien jaar bezighoudt. “Zeker in het eerste half uur denk je bij elk tikje of dingetje wat je in de grond ziet of voelt: ja! Dat wordt na verloop van tijd steeds minder…”
Naarmate de dag vordert en de broers dieper komen, daalt het besef in dat Herman er niet ligt. “Graafwerkzaamheden laten altijd sporen na,” legt Cees uit. Maar in de grond zien ze dat er niet eerder in is geroerd. Ze gaan zelfs zo diep dat het grondwater omhoogkomt.
‘Hij ligt daar niet’
“Het is te gek voor woorden dat je naar je eigen broer aan het zoeken bent op deze manier. Aan de andere kant was het ook heel mooi als we hem wel hadden gevonden, hoe ultiem had dat kunnen wezen,” zegt Jan. De teleurstelling hakt er dan ook flink in na deze mislukte zoekactie. “Na al die jaren hoop je het hoofdstuk te kunnen afsluiten, afscheid te kunnen nemen. Dat is niet gelukt.”
Tegelijk geeft de zoekactie de broers ook zekerheid. Want kort daarna komt er bij de Foundation opnieuw een brief binnen van de anonieme tipgever. De boodschap is wederom dezelfde: er zou op de aangewezen locatie nog steeds niet diep genoeg gegraven zijn. Toch kunnen Jan en Cees de plek waar ze zelf gegraven hebben nu wel met een gerust hart laten rusten. “Je weet waar je gezocht hebt, je weet hoe je gezocht hebt. En dan kan je het afsluiten, dat stukje. Waar we gezocht hebben, daar ligt Herman niet.”
Zou de anonieme tipgever het dan allemaal verzonnen hebben, of een ‘grap’ uithalen? “De anonieme tipgever kan een hele gemene grap met ons uithalen. Maar als we daarvan uit moeten gaan, dan ga je geen enkele tip meer uitlopen”, zegt Cees. “Bovendien zou het wel heel verrot zijn”, vult Jan aan. “Dat doe je je ergste vijand niet aan.”
Iemand weet meer
“Ik denk dat er nu een patstelling is. Er is geen nieuws, er zijn geen nieuwe dingen om te onderzoeken. Zolang je geen nieuwe tips of aanwijzingen krijgt, is het gewoon doodstil,” beschrijft Jan de huidige stand van zaken. Aangezien er destijds ook geen DNA van de dader is aangetroffen, kunnen ontwikkelingen op dat vlak de zaak evenmin in beweging krijgen.
De zaak van Herman Ploegstra blijft dus een cold case, zolang nieuwe tips uitblijven. Maar de broers twijfelen er niet aan dat die er komen. Jan: “We weten honderd procent zeker dat iemand iets weet. Iemand heeft het antwoord. Je kan niet zomaar weg zijn, daar geloof ik niks van.”
Cees is het daarmee eens. “Je maakt het mij niet wijs dat er niemand is die iets weet. Er zijn mensen in IJzendijke, of in de directe omgeving die hiervan afweten.” Maar praten over de verdwijning van Herman is in de kleine gemeenschap van IJzendijke niet vanzelfsprekend. Daarom roepen de broers via de Foundation specifiek jongeren in de regio op om het er thuis met hun ouders over te hebben.
‘Ga alsjeblieft in gesprek’
De grootste wens van de broers is in contact komen met de anonieme tipgever. Jan: “Mogelijk zien we de tip verkeerd of is de locatie verkeerd omschreven.” Dat laatste kunnen de broers zich goed voorstellen, aangezien het een regenachtige nacht was toen Herman verdween en het Braakmangebied in die tijd in herontwikkeling was, waardoor het wellicht ingewikkelder is om de specifieke plek aan te duiden.
Bovenal willen de broers één ding: “Wij willen heel graag Herman terugvinden. Wat er omheen gespeeld, dat maakt voor ons niet uit. Wij willen Herman terug.” Hun oproep is helder: “Zoek contact met ons, zoek contact met een advocaat. Dat kan allemaal hartstikke anoniem.”
Een advocaat heeft beroepsgeheim, waardoor de identiteit van de tipgever volledig beschermd blijft. Daarnaast is de Peter R. de Vries Foundation bereid om kosten van een advocaat te dekken, in de hoop daarmee eventuele financiële drempels weg te nemen. “Maar ga in gesprek, ga alsjeblieft in gesprek. Help onze familie uit deze nare tijd.”