20 april 2020

Therapie via videobellen neemt vlucht, maar werkt het voor iedereen?

Bekijk meer artikelen over: Werk en geld Bekijk meer artikelen over: Vitale beroepen

Fennie Wiepkema werkt al jaren aan de ontwikkeling van therapie op afstand via videoverbindingen. Ze is psychologe bij GGZ-instelling Dimence. Nu vrijwel alle dagbehandelingen in de GGZ zijn gestaakt, ziet ze dat haar collega’s nu ook min of meer noodgedwongen met deze relatief nieuwe vorm van psychische hulpverlening gaan werken. We spreken met Wiepkema voor ons onderzoek Vitale Beroepen.

Dimence was al voor de corona-crisis bezig het concept van hulp-op-afstand in te voeren, maar het is nu het versneld ingevoerd. Rita Kamphuis, woordvoerder van Dimence: “We hebben gezegd: ‘Doorpakken nu, want nood breekt wet’. Het systeem is veilig voor de privacy van patiënten, want het gaat over eigen servers. We gebruiken geen WhatsApp of Skype, die gesprekken kun je bewaren. Met het gevaar dat gevoelige informatie op straat komt. De videogesprekken die wij met ons eigen systeem voeren, worden meteen na afloop gewist.”

Face-to-face

Wiepkema werkt zoals vrijwel iedereen hele dagen vanuit huis. Op een kamer op de eerste verdieping zoekt ze contact met haar cliënten. “Er is wat weerstand tegen deze manier van behandelen merk ik. En dat is niet terecht, want er worden hele goede resultaten mee behaald. Maar op de opleidingen wordt er nauwelijks aandacht aan gegeven, en je ziet dat mensen als ze eenmaal de stap hebben gezet om hulp te zoeken, kiezen voor de klassieke behandeling: face-to-face, in een kamer met een behandelaar. Ook al is wachttijd daarvoor vaak veel langer dan een behandeling met een videoverbinding.”

Kapot na video-sessie

Ze zegt dat de behandeling via een videoverbinding veel intensiever is. “Ik ben na zo’n sessie kapot, meer nog dan bij een face-to-face behandeling. Dat komt omdat je gek genoeg veel dichter op elkaar zit dan in een spreekkamer. Iemand komt heel dichtbij. Dat geldt voor mij, maar ook voor de cliënt. Niet iedereen is ook geschikt voor deze vorm van behandeling omdat het zo direct is. Je zit op afstand, soms kilometers van elkaar vandaan, er zit een beeldscherm tussen, maar toch is het alsof iemand heel dichtbij je recht in de ogen kijkt. Dat is intensief.” 

Lapmiddel

Bij MIND, het Landelijk Platform Psychische Gezondheid, volgen ze deze ontwikkelingen op de voet. Volgens woordvoerder Mariëlle van den Berg is deze ontwikkeling als lapmiddel geweldig, maar er moet wel maatwerk geleverd worden: “We houden in de gaten of de GGZ-instellingen nu niet automatisch blijvend overstappen op videobellen. Er zijn grote groepen in de GGZ die een enorme behoefte hebben aan sociaal contact. Vaak is de dagbesteding weggevallen en dat is juist voor kwetsbare groepen van het grootste belang. Vaste tijden, regelmaat, dezelfde handelingen. Dan is videobellen wel een grote stap. We pleiten dan ook voor maatwerk en als het enigszins kan een contactmoment. Desnoods in een park op anderhalve meter, een eindje wandelen en praten. Dat is met een videoverbinding niet te vergelijken.”

Auteurs

T.B.

Thijs Boelens

Verslaggever