Een windpark gelegen te midden van kwetsbare natuur. Het kan wel, zegt directeur Tijmen Keesmaat van windpark Krammer in Zeeland. Windturbines hoeven namelijk geen ‘vogelhakmachines’ te zijn. “Het lijkt misschien in eerste instantie onmogelijk, maar door het slim aan te pakken kan het echt”, aldus Keesmaat. “Hou rekening met de populatie in het gebied en zet die windturbines af en toe eens stil.”

In ons onderzoek Klimaatconflict in de polder uiten verschillende omwonenden en natuurliefhebbers uit het hele land hun zorgen over mogelijke windmolens in hun favoriete natuur-en recreatiegebied. In het klimaatakkoord is afgesproken dat de CO2-uitstoot in 2030 drastisch moet verminderen. Lokale overheden hebben nu de opdracht gekregen op zoek te gaan naar gebieden waar duurzame energie kan worden opgewekt doormiddel van windmolens en/of zonnepanelen. Natuur- en recreatiegebieden worden in die plannen niet altijd ontzien en dat leidt tot verzet en zorg, want de biodiversiteit staat ook behoorlijk onder druk.

Investico, Trouw en Eenvandaag becijferden deze week dat er nu al ruim 600 windmolens gebouwd zijn in en binnen een straal van 200 meter van beschermde natuur. Daar komen de komende jaren nog eens 300 windmolens bij, 175 daarvan zullen zelfs verschijnen in Natura 2000-gebied (natuur met een hoge beschermingsstatus).

Inzet nieuwe technieken

Windpark Krammer is sinds 2019 operationeel en is gebouwd op en rond de Zeeuwse Krammersluizen, precies tussen drie van die Natura 2000-gebieden in. Twee van de 34 windturbines staan bovendien in een gebied dat behoort tot het natuurnetwerk van Zeeland (NNZ), ook beschermde natuur. Vijf turbines staan niet in dat laatstgenoemde natuurgebied, maar draaien er wél boven.

Volgens windparkdirecteur Keesmaat wordt er onterecht gedacht dat windturbines en natuur niet kunnen samengaan. Met vroegtijdig ecologisch onderzoek en de inzet van nieuwe technieken blijkt er namelijk veel mogelijk zo ervaart hij. “In dit gebied is de populatie goed in kaart en werken we samen met ecologen. We maken gebruik van hun kennis en spelen in op het gedrag van de dieren uit dit gebied.”

Hij vervolgt: “Vogels vliegen bijvoorbeeld niet continu op de hoogte waar de windturbines en de rotorbladen zich bevinden. Bij harde wind zullen de vogels in dit gebied aan de grond blijven omdat hun voedsel, insecten, dan ook niet in de lucht vliegt. Wij kunnen de turbines dan ook gewoon laten draaien en dat levert dan ook vanwege de stevige wind veel op. Als het minder hard waait op dagen in de zomer, dan is het soms juist weer slimmer om de ze even helemaal stil te zetten voor de vogels. En dat doen we dan ook.”

Daarnaast zet het windpark technische middelen in om te voorkomen dat dieren het slachtoffer worden van de duurzame energieopwekking, vertelt Keesmaat. “We hebben geluidsdetectie voor vleermuizen en 360 graden-camera’s om vogels te spotten. Dat zorgt ervoor dat we weten wanneer ze te dicht bij de windturbines in de buurt komen en ook dan wordt zo’n turbine stilgezet om een aanvaring te voorkomen.”

Op de Veluwe zorgt momenteel de wespendief, een bedreigde roofvogel, voor hoofdbrekens rond dit thema. Plannen voor tientallen windmolens in en om het natuurgebied kunnen voorlopig niet doorgaan omdat de vogel met uitsterven wordt bedreigd. Elke gedode wespendief is er één te veel en tegen de natuurbeschermingsregels van het Natura 2000-gebied. Windpark Krammer kent zijn eigen wespendief, vertelt Keesmaat, maar die stond hen uiteindelijk toch niet in de weg bij de bouw. “Wij hebben hier de zeearend, die is eigenlijk nog zeldzamer dan de wespendief. En juist de detectietechniek die wij inzetten zorgt ervoor dat dit type vogel en de windturbines hier prima kunnen samengaan.”

Weinig slachtoffers

In de ruim 2 jaar dat het park nu draait is er dan ook nog geen enkele zeearend in aanvaring gekomen met de windturbines, legt hij uit. Keesmaat weet dat omdat het aantal ‘slachtoffers’ moet worden gemonitord. “Elke 2 weken gaat een ecoloog in het gebied op zoek. Uiteraard is elk dier er één te veel, maar in de eerste 9 maanden kwamen we uit op veertien ‘slachtoffers’ en dat werd door deskundigen gezien als een laag aantal.”

Uiteindelijk valt het hem mee hoe vaak de windturbines stilgezet moeten worden en hoeveel opbrengst het park misloopt door op deze manier energie op te wekken. “Ik denk dat de turbines ongeveer één procent van de tijd stilstaan. Dat kost ons tussen de 5000 en 10.000 euro per maand. Op een jaaromzet van 30 miljoen valt dat reuze mee vind ik.”

Dat windparken in of nabij natuurgebieden ondanks de goede ervaringen die hij heeft veel weerstand oproepen snapt hij wel. “Hier waren natuurlijk ook omwonenden die tegen waren, mensen willen geen grote windmolen in hun achtertuin en ook niet in hun favoriete natuurgebied. De impact van de hele energietransitie zal niet overal even hard gevoeld worden. In de stad bijvoorbeeld kan je geen windmolen plaatsen, dus die druk zal zich verplaatsen naar de randen van steden en dorpen, en richting de natuur. Dat voelt als oneerlijk en daar moet je wel oog voor hebben.”

De oplossing ligt volgens hem daarom juist in windparken als Krammer, ontstaan uit een burgerinitiatief. “Betrek omwonenden actief bij het proces en zorg ook dat ze er iets voor terugkrijgen. Dat de winst van het windpark niet naar één of ander hoofdkantoor in het buitenland of de Zuidas gaat, maar dat het geïnvesteerd wordt in de lokale samenleving.”

Auteurs

Y.V.

Yvonne Verkaik

Redacteur