In de discussie over wat bestrijdingsmiddelen doen met onze gezondheid en ons milieu verwijzen tipgevers ons naar het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Als zij besluiten dat een middel in Nederland op de markt mag komen, kunnen we ervan uitgaan dat het veilig is. Toch?

Met deze vraag in ons achterhoofd reizen we voor ons dossier Bestrijdingsmiddelen af naar Ede, waar het Ctgb zit. We spreken woordvoerder Hans van Boven en Ingrid Becks, hoofd van de afdeling die het 9-koppige college adviseert dat beslist of een middel wel of niet wordt toegelaten op de Nederlandse markt.

Waar kijken jullie naar als jullie een verzoek tot toelating krijgen?
‘Het college laat alleen middelen toe die veilig zijn voor mens, dier en milieu. Voor nieuwe stoffen wordt dat bepaald op Europees niveau. Dan kiest de aanvrager een lidstaat uit waar hij de stof wil laten beoordelen. Als het om een nieuw middel gaat (een samenstelling van stoffen, red.) dan is Europa verdeeld in de zones noord, midden en zuid. Eén van de lidstaten uit die zones behandelt het verzoek tot toelating en de andere lidstaten kijken mee. De behandelende lidstaat toetst het dossier dat de aanvrager indient en bepaalt de risico’s van een middel.’

De lidstaat ‘toetst het dossier’? Jullie onderzoeken de middelen dus niet zelf?
‘Nee, wij kijken naar de onderzoeken die een producent indient en de relevante wetenschappelijke literatuur.’

Zo’n producent heeft belang bij goedkeuring; pas dan mag hij zijn product verkopen op de Nederlandse markt. Is dat onderzoek dan wel te vertrouwen? 
‘De onderzoeken moeten volgens strenge protocollen zijn gedaan en in gecertificeerde laboratoria zijn uitgevoerd. Een producent doet ongeveer tien jaar over het opbouwen van een toelatingsdossier.’

Kijken jullie ook naar de effecten op het milieu op langere termijn als jullie een middel keuren?
‘We kijken naar de toxische eigenschappen van een stof, maar of er sprake is van risico hangt ook af van de blootstelling. Dat een bestrijdingsmiddel giftig is, is wel duidelijk, anders werkt het niet. Maar als je 10 liter water drinkt, ga je ook dood. Daarom is het vooral belangrijk om te kijken naar de toepassing en dosering. Daar doen aanvragers studies naar, ook op de lange termijn. Ze kunnen niet alle organismen daarin meenemen dus nemen ze een representant van een groep, zodat ze weten wat voor effecten een middel op een groep organismen heeft.’

Hoe moeten we een middel als DDT zien in dat verband?
‘DDT werd zestig jaar geleden veel gebruikt. De stof bleek erg persistent (moeilijk af te breken, red.) Het kan altijd zo zijn dat een goedkeuring verandert door voortschrijdend inzicht. Recent is dat nog gebeurd met neonicotinoïden. Daarbij bleek toch risico te zijn voor hommels. Terwijl de onderzoekers bijen als representant hadden genomen voor hun studies. Zulke nieuwe kennis kan leiden tot onacceptabele risico’s en dan kunnen we ingrijpen in de toelating.’ 

Hoe kijken jullie aan tegen de huidige discussie rondom glyfosaat?
‘We begrijpen de discussie. Het gebruik van glyfosaat leidt tot een hoge belasting voor het oppervlaktewater, maar het is niet kankerverwekkend en veilig voor mens, dier en milieu als het op de juiste manier gebruikt wordt. Het onderzoek dat in het maatschappelijk debat wordt aangehaald voldoet niet altijd aan de normen die wij hanteren. En halve maatregelen die dan genomen worden, zorgen juist voor verwarring.’

‘Het probleem met glyfosaat is dat het een slachtoffer is van zijn eigen succes. Het wordt veel gebruikt en er is een norm voor wat er in het oppervlakte- en grondwater mag zitten. Wij zijn nu aan het herbeoordelen en dan kijken we ook naar die norm. Als het meer in het milieu blijkt voor te komen dan de norm, dan kunnen we de toelating aanpassen.’

Wil je op de hoogte blijven van dit onderzoek?

Meld je dan hier aan voor onze nieuwsbrief. 

Auteurs

K.G.

Karen Geurtsen

Redacteur