Ruim de helft van alle gemeenten die onderzoek naar geroofd Joods vastgoed hebben gedaan, bespreken de vaak pijnlijke conclusies niet in het openbaar. Ze doen zeer beperkt onderzoek, waardoor er eigenlijk geen conclusies te trekken zijn. Of ze hebben een inhoudelijk stevig rapport in handen, maar het rapport wordt gepubliceerd zonder dat het met burgers of in de gemeenteraad wordt besproken.
Sinds 2020 doen gemeenten op aandringen van Pointer (KRO-NCRV) onderzoek naar geroofde Joodse woningen. Deze panden staan geregistreerd in de zogeheten Verkaufsbücher, ook wel De Vastgoedboeken genoemd. Alle gemeenten waar roofhandel grootschalig plaatsvond, hebben zo’n onderzoek toegezegd.
Elf gemeenten bespreken de pijnlijke conclusies niet in de media of gemeenteraad die uit zulke onderzoeken volgen. Daarnaast kijken sommige 30 rapporten slechts beperkt naar de rol van de gemeente bij de roofhandel van Joodse woningen. Terwijl bekend is dat veel gemeenten in de Tweede Wereldoorlog verkeerd hebben gehandeld. Zo hielpen zij de Duitse bezetters vaak ruimhartig met het inventariseren van Joodse burgers. Ook hebben sommige gemeenten zelf Joods vastgoed gekocht nadat die woningen waren onteigend. In enkele gevallen werden Joodse terugkeerders na de oorlog geconfronteerd met achterstallige gemeentelijke belastingen.
Ronny Naftaniel, oud-voorzitter van het Centraal Joods Overleg, vindt het erg kwalijk dat deze gemeenten niet goed hebben onderzocht of zij zich hier ook schuldig aan hebben gemaakt. Naftaniel heeft in meerdere gemeenten advies gegeven over hoe deze onderzoeken aangepakt moeten worden En benadrukte daarbij juist ook kritisch naar de eigen rol te kijken. "De bevolking heeft er recht op om te weten hoe een gemeente in oorlogstijd heeft gefunctioneerd."
De gebrekkige rapporten zijn vaak niet de schuld van de onderzoekers, zegt Naftaniel. Het college van burgemeester en wethouders formuleert zeer beperkte opdrachten aan de onderzoekers. "Dus dan zijn die rapporten verre van volledig."
Goede rapporten
Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht onderzochten de roofhandel in Joods vastgoed al voordat Pointer zijn rondgang onder gemeenten begon. Vervolgens hebben 150 gemeenten eveneens een onderzoek ingesteld. Daarvan hebben 64 gemeenten een rapport gepubliceerd met een volledige onderzoeksopzet. Ze onderzoeken of de gestolen woningen weer zijn teruggegeven aan Joodse terugkeerders of nabestaanden. Ook kijken ze kritisch naar de rol van de gemeente bij dat rechtsherstel.
Veel gemeenten hebben naar aanleiding van deze rapporten geconcludeerd dat ze een kwalijke rol hebben gespeeld in de naoorlogse omgang met hun Joodse inwoners. Het duurde vaak lang voordat mensen hun rechtmatige woning konden terugkrijgen. Ook moesten Joden soms belastingen betalen over de periode waarin ze ondergedoken of in een concentratiekamp zaten.
Al deze 64 gemeenten hebben na publicatie een inhoudelijke reactie gegeven op het rapport. In enkele gevallen zijn excuses gemaakt, herdenkingen ingesteld of financiële compensaties aangeboden.
Oppervlakkig en geen gevolg
Op de overige 86 gemeenten valt wel iets aan te merken. In 45 gemeenten is niet eens een onderzoeksrapport gepubliceerd. Het gaat dan enkel om een beperkt vooronderzoek. Vaak heeft een medewerker in dienst van de gemeente een zoekopdracht uitgevoerd in het lokale archief. Daardoor is het lastig om op basis van zo’n vooronderzoek stevige conclusies te trekken.
Er zijn 30 gemeenten met een inhoudelijk stevig rapport in handen, die daar vervolgens niets mee doen: geen erkenning, excuses of moreel rechtsherstel. Ook doen ze geen uitspraken in de openbaarheid over de rol van de gemeente. Terwijl de omstandigheden van de roofhandel in Joodse panden per gemeente niet enorm verschilden. Waar de ene gemeente dus ruimhartig toegeeft dat ze moreel onjuist hebben gehandeld, houden vergelijkbare gemeenten de lippen stevig op elkaar.
Bij elf gemeenten is wel een officieel onderzoek uitgevoerd maar is dit erg oppervlakkig. De onderzoeksvragen beschrijven dan vooral de feitelijke vraag of woningen zijn teruggegeven, maar niet de rol van de gemeente. Bij deze elf gemeenten wordt ook nauwelijks onderzocht of Joodse burgers na de bevrijding naheffingen moesten betalen voor de periode waarin hun woning was geroofd. Daarnaast is de lokale Joodse gemeenschap niet geraadpleegd bij het opzetten van deze onderzoeken.
'Kille bureaucratie'
Ronny Naftaniel heeft bij meerdere onderzoeken in de klankbordgroep gezeten: een afvaardiging van mensen uit de gemeenschap die meedenken met de opzet en uitvoering van het onderzoek. In enkele gemeenten kon de klankbordgroep adviseren wat er met de conclusies van het rapport moest gebeuren.
Maar zelfs als er gedegen onderzoek is gedaan en de gemeente de conclusies serieus neemt, betekent dat volgens Naftaniel niet dat alle nabestaanden zich in de uitkomsten kunnen vinden. "Dat komt omdat het rechtsherstel juridisch misschien wel correct was. Maar als je terugkomt uit de onderduik of concentratiekamp en je huis ligt zwaar in de vernieling en is verkocht aan iemand én je moet jarenlang strijden om weer in je huis te komen: dat gevoel neem je niet zomaar weg. Het gevoel blijft hangen dat je beroofd bent van je bezit."
Alsnog is het van groot belang dat deze onderzoeken goed worden uitgevoerd, gepubliceerd en besproken, vindt Naftaniel. "Alleen al voor het individuele geweten van mensen. Volg ik altijd orders op die ik krijg? Waar ligt de morele grens? En heb ik de moed om achteraf te kijken wat ik fout heb gedaan."
Een goed rapport beschrijft volgens Naftaniel zowel de persoonlijke gevolgen van de roofhandel in Joodse woningen als de rol van de gemeente daarin. "De kille bureaucratie van roofhandel in Joodse woningen: door dit soort onderzoeken komt dat heel duidelijk naar voren."
De 33 gemeenten die hun rapport niet openbaar bespreken, zouden dat alsnog moeten doen, vindt Naftaniel. "Ze moeten publieke verantwoording afleggen. Anders hadden ze het onderzoek net zo goed niet kunnen uitvoeren." Daarnaast zouden gemeenten die niet naar hun eigen rol in roofhandel hebben gekeken, dat alsnog moeten doen.