Je bent pas dood als niemand je naam meer noemt: zo gaat een bekend Joods gezegde. Maar geldt dat ook voor het kippenhok van je grootouders? Het klinkt als een té klein detail om een jarenlange strijd met de gemeente Groningen over te voeren. Maar Martijn Jacobus (69) vond het niet terug in een boek over de roofhandel van Joods Vastgoed in de Tweede Wereldoorlog. Voor hem voelt het alsof zijn familiegeschiedenis voor een tweede keer wordt uitgewist.
Groningen is een van de 154 gemeenten die onderzoek heeft gedaan naar de zogeheten verkaufsbücher: de registratie van onteigend en doorverkocht Joods vastgoed. Een van de adressen die is onderzocht, is de woning van Jacobus’ grootouders: De Savornin Lohmanlaan 21. En in de achtertuin van zijn opa en oma stond een kippenhok.
Toen zijn Joodse oma na de oorlog als weduwe terugkwam uit de onderduik, trof ze een nieuwe eigenaar aan in haar leeggeroofde woning. De enige manier om haar eigen huis weer in bezit te krijgen, was via een ‘minnelijke regeling’ met de oorlogskoper: ze kreeg een kleine vergoeding voor de geleden schade, maar ze moest óók de belastingen betalen voor de periode waarin ze zat ondergedoken.
En er was onderhoud gepleegd aan het kippenhok: 900 gulden, wat vandaag de dag neerkomt op zo’n 15.000 euro. Vooral dat laatste zit Martijn dwars: betalen voor het onderhoud van een kippenhok terwijl je voor je leven moest vrezen. Het verhaal kwam via het Groningse onderzoek boven tafel, maar wordt niet in het bijbehorende boek besproken.
En dat juist dát detail – dat volgens hem symbool staat voor de naoorlogse 'pennenlikkerij en bureaucratie' van de overheid – wordt weggepoetst, doet hem erg veel pijn. Het heeft hem de afgelopen 4 jaar ook voor een onmogelijke keuze gesteld: steek je al je energie in het uitzoeken van je eigen familiegeschiedenis, of strijd je voor collectieve excuses voor alle Joodse Groningers?
6 jaar onderzoek
Pointer vraagt sinds 2020 aan alle 218 gemeenten in de Verkaufsbücher om onderzoek te doen naar de roof van Joods vastgoed. Sinds april 2026 hebben alle gemeenten waar deze roofhandel grootschalig plaatsvond zo’n onderzoek toegezegd of zelfs al afgerond. Inmiddels hebben 154 gemeenten een onderzoek voltooid: in vier gemeenten gebeurde dat al voordat Pointer zijn rondvraag begon.
Maar in 45 gemeenten is niet eens een onderzoeksrapport gepubliceerd. Het gaat dan enkel om een beperkt vooronderzoek. Vaak heeft een medewerker in dienst van de gemeente een zoekopdracht uitgevoerd in het lokale archief. In zo’n geval kan er weinig waarde aan de conclusies worden verbonden.
Dan blijven er 105 gemeenten over, die 82 openbare rapporten hebben gepubliceerd: sommige gemeenten hebben gezamenlijk een onderzoek laten uitvoeren. Bij 64 gemeenten valt er op het onderzoek en de reactie daarop van de gemeente weinig aan te merken. Ze lijken grondig onderzoek te doen en het rapport heeft politieke gevolgen: er worden lessen uit getrokken, excuses gemaakt of zelfs geld beschikbaar gesteld.
Opmerkelijk zijn de 30 gemeenten die serieus onderzoek laten uitvoeren — onafhankelijk uitgevoerd, grondig opgezet met oog voor bijna alle criteria — maar vervolgens zwijgen over de resultaten. De rapporten staan enkel gepubliceerd op een gemeentewebsite.
Ten slotte stellen de rapporten in 11 gemeenten weinig voor: de onderzoeksvragen kijken dan vooral naar de feitelijke vraag of woningen zijn teruggegeven, maar niet naar de rol van de gemeente.
Terwijl de omstandigheden van de roofhandel in Joodse panden per gemeente niet enorm verschilden, doen de rapporten dat wel. Waar de ene gemeente dus ruimhartig toegeeft dat ze moreel onjuist hebben gehandeld, houden vergelijkbare gemeenten de lippen stevig op elkaar.
Maar zelfs in de gemeenten die het meeste hebben gedaan, voelt niet iedereen zich gehoord. Groningen liet het onderzoek onafhankelijk uitvoeren, keek ook naar transacties buiten de Verkaufsbücher en betaalde bijna 330.000 euro uit als moreel rechtsherstel aan een nabestaande. Qua onderzoeksopzet en impact levert Groningen een van de beste onderzoeken af. En publiceerde er een boek over, om de geschiedenis van Joodse Groningers voor een breed publiek toegankelijk te maken. Toch staat Martijn Jacobus na afloop van de boekpresentatie met een vervelend gevoel buiten de synagoge.
'Werd niet over gesproken'
En dat terwijl Jacobus jarenlang geen idee had van de woningroof binnen zijn familie. "Mijn moeder heeft er nooit over gesproken"; iets wat je vaker hoort binnen Joodse families. Want (groot)ouders willen het trauma van de oorlog niet op de schouders van hun (klein)kinderen leggen. Maar hoe harder je zwijgt, hoe pijnlijker het verhaal is zodra het uitkomt.
Martijn vroeg zich jarenlang af waarom zijn moeder zijn kapotte sokken nooit repareerde; iets wat in zijn jeugd heel gebruikelijk was. Pas recentelijk ontdekte hij dat zijn moeder tijdens haar onderduikjaren werd gedwongen om de sokken van de bewoners op haar onderduikadres te stoppen, terwijl ze bijna doodging aan een buikvliesontsteking. Ook het verhaal rondom de woning aan de De Savornin Lohmanlaan bleef onbesproken.
Voor meer nabestaanden en gemeenten was de roofhandel in Joods vastgoed decennialang een onbekend onderwerp. Sinds de start van de rondvraag van Pointer komen steeds meer gemeenten in beweging en leren nabestaanden wat er met de woningen in hun familie is gebeurd.
Ook in Groningen kwam het onderzoek van de grond toen Pointer navraag deed. Al was de gemeente al ruim voor onze vragen op de hoogte: in 2017 heeft Jacobus’ zus de gemeente al gewezen op de roofhandel van Joodse woningen. Maar haar verzoek om uit te zoeken wat er allemaal rondom die onteigende woningen is gebeurd, werd toen nog genegeerd.
Nu ligt eindelijk het onderzoek over Groningen op tafel. Het rapport werd in 2022 gepubliceerd, heet Lege Plekken en is door de Rijksuniversiteit Groningen uitgevoerd. "Onze familiegeschiedenis kwam altijd in plukjes naar buiten", vertelt Jacobus. "Maar het is pas echt duidelijk geworden vanaf het moment dat ik dat rapport heb gelezen."
Het verhaal van de familie Behr-Jacobs
Jacobus wist voor het lezen van het rapport dat zijn grootvader Ephraim Behr een Joodse arts en lector aan de Rijksuniversiteit Groningen was. Hij meldde zich aan het begin van de oorlog als officier om Nederland te verdedigen. Ephraim sneuvelde op de Grebbeberg toen hij volgens een ooggetuige “met deernis en dapperheid een poging deed om eenige gewonde soldaten uit de Grebbelinie naar veiliger plaats te evacueren”. Jacobus’ grootmoeder Bertha Aleida Jacobs zat in de jaren daarop ondergedoken. Heel veel meer weet hij niet over zijn opa en oma; slechts enkele flarden van geruchten en anekdotes.
In het rapport leest Jacobus voor de eerste keer over de vastgoedroof. De woning aan de De Savornin Lohmanlaan 21 werd – net als zoveel andere Joodse woningen – leeggeroofd door de Duitse bezetter en doorverkocht. Melchert Bakker, de algemeen secretaris van de Kamer van Koophandel voor Groningen en Veendam woonde daar tot het einde van de oorlog.
Na de oorlog kreeg Berta Jacobs de woning na een juridische strijd van 3 jaar weer in bezit. Maar in de familie waren nog meer woningen die bij de rechtmatige eigenaar moesten terechtkomen. "Mijn grootmoeder heeft tot 1952 moeten procederen", vertelt Jacobus. “De rechterlijke macht was op de hand van de overheid, net zoals bij de toeslagenaffaire."
De meeste woningen (ruim 90 procent) kwamen na de bevrijding weer in handen van de oorspronkelijke eigenaren of nabestaanden. En in 79 procent is sprake van een zogeheten 'minnelijke regeling' tijdens het rechtsherstel: daarbij komen de oorlogskopers en de rechtmatige eigenaren tot een onderlinge afspraak over de kosten.
Op het adres van zijn grootouders werden tijdens de afwezigheid van Bertha Jacobs onderhoudskosten gemaakt. Jacobus' vingers trillen boven het rapport waarin een droge, ambtelijke berekening staat. Zijn oma kreeg 2.520 gulden als gebruikersvergoeding: een bedrag ter compensatie voor de onvrijwillige verhuur van haar woning tijdens de oorlog.
Maar zij kreeg dat bedrag niet volledig, want de gemaakte onderhoudskosten (waar zij dus nooit toestemming voor heeft verleend) werden daar vanaf gehaald. Het gaat om een bedrag van 1.622,98 gulden, waarvan 900 gulden voor het opknappen van een kippenhok. Onderaan de streep bleef er nog geen duizend gulden over als compensatie voor de roofhandel en 3 jaar juridische strijd.
Jacobus loopt nog een keer de berekening door, en tikt halverwege op de pagina met zijn vinger bij die ene regel. "Zo staat het er: kippenhok, 900 gulden." Het rapport wijst hier exact aan hoe de overheid – die verantwoordelijk was voor de teruggave van de woningen – na de oorlog met terugkerende Joodse Nederlanders omging. Tot op de cent nauwkeurig werd de balans opgemaakt.
Het rapport legt dat als volgt uit: de geroofde woningen moesten weer in bezit komen van de oorspronkelijke eigenaren of de nabestaanden, “maar tevens mocht deze er ten opzichte van de vooroorlogse situatie niet op vooruitgaan”. Het is voor Jacobus duidelijk dat zijn grootmoeder er inderdaad niet op vooruit ging.
Zijn kritiek is dan ook niet gericht op het onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen. Want volgens Jacobus is dat voor zijn familie behoorlijk goed uitgevoerd. Maar zijn probleem ligt bij het boek.
'Slap aftreksel van rapport'
Het goed beoordeelde Groningse onderzoek wordt tegelijk met een boek gepubliceerd: beide genaamd Lege Plekken. De toenmalige burgemeester Koen Schuiling prijst tijdens de boekpresentatie (op 29 april 2022) in de synagoge het 'grondige en gedegen werk' van dat onderzoek. Martijn Jacobus zit ook in de zaal en luistert aandachtig. Hij weet inmiddels dat de berekening over de woning van zijn grootouders in het rapport staat. Hij weet nog niet dat het boek daar niets over vermeldt.
Schuilings conclusie is dat de gemeente Groningen niet op grote schaal heeft geprofiteerd van de roofhandel, maar "dat betekent niet dat de gemeente zonder zonde is". En over het naoorlogse rechtsherstel: "Ook hier zien we een bureaucratische, zakelijke en weinig inlevende gemeente." Het is een conclusie die meerdere gemeenten trekken naar aanleiding van deze rapporten. "Ook naar de maatstaven van toen, schoot men tekort."
Toch wil de burgemeester op dat moment geen excuses maken. "In sommige gemeenten zijn excuses aangeboden, andere gemeenten stellen dat men binnen de wet is gebleven, al erkent men dat het handelen kil was. Het gaat mij niet zozeer om de afwegingen van mijn collega’s. Ik vraag me wel af wat er verandert elke keer als we zeggen: 'Dat nooit weer'; 'Opdat we niet vergeten'; of 'sorry'." Schuiling belooft op een later moment een diepgaander antwoord te geven.
Jacobus luistert met verbazing naar de toespraak. "Ik werd eigenlijk steeds bozer, hoe langer de presentatie duurde." Er wordt namelijk met geen woord gerept over de minnelijke regeling die zijn oma moest treffen om haar woning terug te krijgen. Over hét voorbeeld waardoor de 'bureaucratische, zakelijke en weinig inlevende' instanties ter verantwoording worden geroepen.
Het boek Lege Plekken is bedoeld om het onderzoek voor het grote publiek toegankelijk te maken. "Maar dit boek is een slap aftreksel van het rapport", concludeert Jacobus.
'Minder dan het halve verhaal'
De Groningse gemeenteraad bespreekt een paar weken later (15 juni 2022) het onderzoek. Martijn Jacobus heeft na de voor hem ontluisterende boekpresentatie een brief opgesteld die hij tijdens de vergadering wil voordragen. Het rapport is volgens hem uitstekend, vanwege de vele voorbeelden die de 'laakbare houding' van de gemeente beschrijven. Het onthult een belangrijke passage in zijn familiegeschiedenis. "Maar waarom vermeldt het boek niet klip en klaar wat er is gebeurd?"
Tijdens de voordracht kijkt hij telkens kort de zaal in. Soms trilt zijn stem of stokt zijn adem, maar hij spreekt de raadsleden met een helder verhaal toe. Hij stelt de vraag of mensen beseffen welk onrecht er steekt achter de zin in het rapport: 'Bij hun terugkeer moesten de Joden diverse kosten alsnog betalen.' Zoiets moet je volgens hem uitleggen door de onderhoudskosten uit te splitsen. De 900 gulden voor een opknapbeurt van het kippenhok is volgens Jacobus dan het meest sprekende voorbeeld. "Alsof mijn grootmoeder daarom heeft gevraagd. Zij zat ondergedoken." En om zijn punt nog eens kracht bij te zetten: "Het kip-pen-hok."
"Het boek vertelt minder dan het halve verhaal. Uw taak is juist om de naakte waarheid te geven. Dit is een morele en ethische verplichting naar alle slachtoffers van toen, waaronder mijn grootvader", concludeert Jacobus. "Ik hoop dat u zich realiseert wat het met ons, Joden, doet te worden geconfronteerd met een verhaal waarin wij ons niet herkennen."
Schrijver van het boek Stefan van der Poel is ook aanwezig om het boek te presenteren aan de gemeenteraad. Hij bevestigt dat het boek bedoeld is om het rapport breder te trekken. Hoe heeft de gemeente zich na de oorlog opgesteld tegenover de Joodse Groningers? Daarom is het gemis van het kippenhok zo groot, vindt Martijn Jacobus. Want exact dát voorbeeld geeft aan hoe kil de houding was.
Van der Poel benadrukt wel dat het hoofdstuk over Joods vastgoed een samenvatting is, en dat daarom allerlei persoonlijke verhalen niet worden genoemd. Tijdens Van der Poels verhaal zucht Jacobus op de achtergrond en fronst hij zijn wenkbrauwen. Deze raadsvergadering levert geen bevredigend antwoord op voor hem. Maar er wordt ook een toezegging gedaan: een commissie gaat de gemeenteraad adviseren wat ze met de conclusies van het rapport moet doen.
De excuses
Jacobus gaat ervan uit dat hij op de hoogte wordt gehouden. Maandenlang hoort hij niets, maar dan volgt op 12 oktober 2022 een beslissing. De gemeente besluit om 328.600 euro uit te keren en excuses te maken aan één nabestaande die een claim heeft ingediend, namelijk Hubert van Blankenstein - die overigens nog altijd met de RUG in de clinch ligt over de onderzoeksuitkomsten.
De excuses worden in 2022 in een fotolijst overhandigd aan Van Blankenstein door de burgemeester. Er staat: "We onderschrijven de bevindingen van de onafhankelijke commissie, die stelt dat onze rechtsvoorgangers onvoldoende moreel besef hebben getoond in de omgang met uw familie, met name inzake het huis aan Kamplaan nummer 8. Zij hebben geen rekening gehouden met de belangen van uw familie, die terugkeerde uit de verschrikkingen van de oorlog. Hiervoor bied ik u namens het gemeentebestuur van Groningen excuses aan."
Dit gaat dus enkel en alleen over Van Blankenstein. Jacobus begrijpt daar niets van. "Ik was niet eens uitgenodigd", zegt hij. "Alles is afgetikt en ik was er niet bij." Het zit hem hoog: excuses aan één nabestaande in een besloten setting. Dat moet anders, besluit hij.
Jacobus mailt sindsdien al ruim 4 jaar lang met ambtenaren, wethouders en de burgemeester. Bij elke mail voelt hij zich met een kluitje in het riet gestuurd. De burgemeester zou al excuses hebben gemaakt aan de hele Joodse gemeenschap, hoort hij. Wanneer en in welke setting dat is gebeurd, blijft lang onduidelijk voor Jacobus. Hij besluit een zogeheten Woo-verzoek in te dienen: hoe zijn die excuses aan Van Blankenstein tot stand gekomen?
Uit die documenten en aanvullend onderzoek van Pointer blijkt dat bijna alle excuses van de gemeente Groningen aan Van Blankenstein zijn gericht, op één keer na. In de raadsvergadering van 16 november 2022 worden de excuses aan Van Blankenstein herhaald door de toenmalige burgemeester Schuiling. Maar hij benoemt ook het grote leed bij andere Joodse families. "Daarmee zijn excuses dus eveneens voor andere families die te maken hebben gehad met de harteloze opstelling na de oorlog", zegt Schuiling.
Voor Jacobus zijn deze excuses aan de hele Joodse gemeenschap – uitgesproken op een vrijdagavond in aanwezigheid van enkel raadsleden – ronduit onvoldoende. De gemeente Groningen blijft eraan vasthouden dat de excuses die zij hebben gemaakt voor alle Groningse Joden zijn bedoeld, blijkt uit antwoord van de gemeente op vragen van Pointer.
Je wordt er niet vrolijk van. Het kost heel veel negatieve energie.
Jacobus erkent dat het bijzonder is: tot een paar jaar geleden wist hij nagenoeg niets over zijn familiegeschiedenis, en nu ligt hij al bijna 4 jaar in de clinch met de gemeente Groningen omdat het verhaal van zijn grootouders wordt verzwegen in het boek. Maar hij merkt ook dat zo’n strijd tegen de gemeente energie vreet. Hij staat voor een keuze die onmogelijk, maar onvermijdelijk is.
Graaft hij verder in zijn eigen familiegeschiedenis? Er speelt nog een kwestie over roofkunst en verdwenen geld bij de Liro-bank. Hij kan het allemaal uitzoeken, maar dat kost hem maanden, en wellicht jaren van zijn leven. Het kippenhok van zijn grootouders zit Jacobus nog steeds hoog. Maar wat hem betreft is dat een gepasseerd station: er speelt iets belangrijkers, iets groters dan hemzelf. Een ruimhartig excuses aan de gehele Joodse gemeenschap in Groningen. "Je wordt er niet vrolijk van. Het kost heel veel negatieve energie."
De gemeente kon bij de familie Van Blankenstein blijkbaar niet om de feiten heen: voldoende bewijslast, duidelijk aanwijsbare schade en een nabestaande die daadwerkelijk een claim indiende. In de afgelopen jaren is zo’n individuele claim hooguit twintig keer uitgekeerd: voornamelijk in Den Haag, waar de gemeente nabestaanden zelf opriep om met een claim te komen. Maar de Verkaufsbücher is zo’n 7.500 transacties lang: dat zijn flink wat nabestaanden waarvan de meerderheid nergens op hoeft te rekenen.
Want bij andere nabestaanden, ook bij de familie Jacobus, is het bewijs fragmentarisch en de schade moeilijker in een bedrag te vatten. Jacobus begrijpt dat. Een schadeclaim is voor hem ook niet aan de orde. Maar het gebrek aan excuses zit hem wel dwars.
Jacobus' keuze
Op momenten dat het hem te veel dreigt te worden, keert hij even terug naar de De Savornin Lohmanlaan. Naar het huis van zijn grootouders.
Als Jacobus de reis van zijn woonplaats Amsterdam naar Groningen maakt, neemt hij altijd een flesje koperpoets mee. Vlak om de hoek staat namelijk de woning van zijn overgrootouders. Hij knielt bij de gouden steentjes in het trottoir om de Stolpersteine op te poetsen. "De laatste keer dat ik er was, hadden de mensen die daar nu wonen het zelf gedaan. Want die zijn ook heel erg onder indruk van het verhaal van onze familie." De namen van zijn (over)grootouders – en daarmee hun verhaal – lijken voorlopig niet te worden vergeten.
Bovendien lijkt de eerste stap richting de gewenste ruimhartige excuses gezet. Naar aanleiding van het Woo-verzoek van Jacobus antwoordt de huidige burgemeester Mirjam van 't Veldt hem begin juli dat de gemeente weliswaar excuses heeft gemaakt, maar dat dit 'vrijwel altijd in de kantlijn' was van de woning van Van Blankenstein. “Daarom willen wij het nogmaals en publiekelijk excuses aanbieden aan de nabestaanden van de Groningse joodse gemeenschap en betrokkenen, met aandacht overwegen."
Het is voor Jacobus nog niet voldoende. Alleen maar overwegen? "Ik wil u erop wijzen dat ik, indien nodig, een juridische procedure zal starten, ook als dat betekent dat dit mijn laatste spaargeld kost", mailt hij terug. Hij vindt het onacceptabel dat de gemeente zich op deze manier opstelt. Met zijn hernieuwd gevonden motivatie blijft hij de gemeente bestoken met vragen, want die excuses gaan er wat hem betreft komen. "Ik zal mij ervoor blijven inzetten totdat de gemeente Groningen excuses aanbiedt aan de Joodse inwoners die destijds door haar handelen zijn getroffen en aan al hun nazaten, rijk of arm."