1 mei 2016

Staatssecretaris Klijnsma: ‘Als er sprake is van verdringing, dan moeten we de wet opnieuw tegen het licht houden’

Bekijk meer artikelen over: Werk en geld Bekijk meer artikelen over: Werken met een beperking

‘Als blijkt dat arbeidsgehandicapten elkaar van de arbeidsmarkt verdringen, dan moeten we de wet opnieuw tegen het licht houden,’ zo reageert staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op de bevindingen in ons onderzoek Werken met een beperking. De wet waar naar Klijnsma refereert is de Participatiewet die sinds 1 januari 2015 geldt. Een belangrijk speerpunt van deze wet is om méér mensen met een arbeidshandicap aan het werk te krijgen. Uit een enquête van De Monitor en branchevereniging OVAL onder 100 re-integratiebedrijven, én uit meerdere verhalen van tipgevers, blijkt echter dat door deze nieuwe wet verdringing ontstaat op de arbeidsmarkt tussen mensen met een handicap.

Onderdeel van de Participatiewet is de zogenoemde ‘banenafspraak’ die het Kabinet en de sociale partners hebben gemaakt. Daarin is afgesproken dat het bedrijfsleven en de overheid in tien jaar tijd 125.000 banen creëren voor mensen met een beperking. Lukt dat niet, dan gaat de quotumwet in. Volgens deze wet moeten werkgevers met meer dan 25 werknemers een bepaald percentage mensen met een ziekte of handicap in dienst te nemen. Houden werkgevers zich hier niet aan, dan krijgen ze een boete voor elke plek die ze niet hebben ingevuld met iemand met een beperking.

En dat leidt tot een perverse prikkel. Willen werkgevers namelijk aan de banenafspraak voldoen, dan moeten ze iemand uit het zogenoemde doelgroepregister aannemen. Echter, niet iedereen met een beperking staat in dit register. Alleen de mensen met een beperking die niet in staat zijn zelfstandig het wettelijk minimum loon te verdienen, mogen in dit register worden opgenomen. Andere mensen met een beperking, zoals bijvoorbeeld tipgevers Esther (slechthorend), Jeroen (doof) en Sven (niet-aangeboren hersenletsel), vallen daardoor buiten de boot. Juist voor die groep mensen blijkt het nu lastiger geworden om werk te vinden. Zo vertelde Esther ons: ‘Ik moet op de arbeidsmarkt nu niet alleen concurreren met gezonde werknemers, maar ook nog eens met mensen met een handicap die wel zijn opgenomen in het doelgroepregister. Ik val hierdoor tussen wal en schip.’

Ontslagen

De enquete van De Monitor en brancheorganisatie OVAL onder 100 re-integratiebedrijven onderschrijft de ervaringen van de onze tipgevers. Zo blijkt dat 62% van de respondenten merkt dat mensen met een beperking die niet zijn opgenomen in het doelgroepregister moeilijker aan een baan komen dan mensen met een beperking die wel zijn opgenomen in het doelgroepregister. Bovendien zegt 15% van de reïntegratiebedrijven dat ze het wel eens hebben meegemaakt dat iemand die niet in het doelgroepregister was opgenomen, werd ontslagen zodat de werkgever iemand met een beperking kon aannemen die wel in het doelgroepregister staan.

Sluit staatssecretaris Klijnsma dan de ogen voor deze groep mensen? Klijnsma: 'Als u zegt dat werkgevers achterover hangen als het gaat om de groep die buiten het register valt, dan moeten we met VNO-NCW en MKB aan tafel om te kijken waar die perverse prikkel zit en hoe wie die kunnen ontmantelen, want ook deze mensen hebben recht op werk.' Het doelgroepregister verbreden is voor de staatssecretaris op dit moment echter geen optie. Klijnsma: 'Als ik hen ook toelaat tot het doelgroepregister, dan kan ik de groep die het op dit moment het zwaarst hebben weer niet helpen. Ergens moet ik een grens trekken.’

Bewuste keuze

Klijnsma geeft dan ook aan dat ze er bewust voor heeft gekozen om alleen de mensen met een beperking in het register op te nemen die niet in staat zijn het zelfstandig wettelijk minimumloon te verdienen. Klijnsma: 'De wet is ingericht voor mensen met de grootste afstand van de arbeidsmarkt. Dat zijn mensen met een beperking die laagopgeleid zijn en niet zelfstandig het wettelijk minimumloon verdienen. Voor deze mensen worden nu extra banen gecreëerd. De andere mensen met een beperking, die wél zelfstanding het wettelijk minimum loon kunnen verdienen, moeten in principe op eigen kracht werk kunnen vinden.’

Desalniettemin is Klijnsma bereid om de wet opnieuw tegen het licht te houden als blijkt dat er sprake is van verdringing tussen mensen met een handicap. Klijnsma: ‘Als in de praktijk blijkt dat er rare neveneffecten aan deze wet zitten dan moeten we die kunnen duiden en kunnen afpellen zodanig dat er voor iedereen perspectief is op de arbeidsmarkt. Als voor deze groep mensen de wet een vreemde prikkel zou entameren dan moeten we daarna kijken.’